zondag 16 mei 2010

Blij en enthousiast in Jakarta


Het is zondag. Ik ben al vier dagen in Jakarta. Veel tijd om van de jetlag te bekomen heb ik niet gekregen. Ik heb in deze paar dagen al zoveel beleefd. Blijmakende maar ook zorgwekkende dingen. Voor het eerst hield ik het pasverschenen boek Membaca Alkitab (J. van  Bruggen, Het lezen van de bijbel) in handen. Weer een LITINDO-boek klaar. En uitgeverij Bina Kasih heeft toegestemd in de uitgave van weer drie nieuwe boeken. Een paar al verschenen boeken zijn in herdruk. En ook is er weer een vertaling van een boek klaar. Bij een presentatie van LITINDO op de STT Moriah in Gading Serpong, Tangerang (West-Jakarta) werden er veel boeken verkocht. Dat zijn stuk voor stuk opstekers. Ze maken je blij en enthousiast om verder te gaan met dit werk. Het LITINDO-project heeft succes. Prachtig dat God via dit project zijn mensen in Indonesia wil toerusten en zijn gemeente opbouwen. Aan hem de eer!
 
Donderdag, op Hemelvaartsdag, vierde SETIA haar 23e verjaardag (11 mei 1987). Dat gebeurde in het Orchardz-hotel in Noord-Jakarta. Tijdens deze viering vond ook de diploma-uitreiking plaats aan de eerste lichting SETIA-studenten die de door 'Nederland' (GZD/DVN/OZD) gesponsorde opleiding tot Master of Divinity met goed gevolg hebben afgerond. De meesten van hen kende ik van de colleges die ik hen destijds mocht geven. Ze liepen allemaal in een nieuwe toga met een stola waarin de kleuren van de Nederlandse vlag zijn verwerkt. Docent Dick Mak die deze opleiding heeft verzorgd, samen met Marianus Waang en Yusup Lifire, mocht hun de bul uitreiken. De alumni zijn allemaal opnieuw uitgezonden naar hun 'werkplaats' all over Indonesia, van Nias tot Merauke. Tegelijk met hen kregen ook bijna 30 studenten, bijn allemaal afkomstig van Papoea, het D3-diploma. Ook een blijmakend gebeuren.
 
SETIA heeft nu al bijna twee jaar geen eigen campus meer. In 2008 zijn ze verdreven van school en internaten in de Kampung Pulo, dichtbij Vliegveld Halim. Vorig jaar heb ik de studenten bezocht op drie verschillende locaties: het tentenkamp in Cibubur (Zuid-Jakarta), de transito barakken in Kali Malang (Oost-Jakarta) en het voormalige stadskantoor in Grogol (Noord-Jakarta). Van de eerste en de laatste locatie zijn ze intussen ook weer verdreven. Gelukkig is er tijdelijk onderdak gevonden in twee gebouwen, allebei in Noord-West-Jakarta, voor de vrouwelijke studenten in Kalideres en voor de mannelijke studenten in Daan Mogot. De laatste locatie heeft nog weer onder druk gestaan. De moslimgroepering FPI wilde dat de studenten het gebouw binnen 12 uur verlieten, maar dat is niet doorgegaan. Laten de voorlieden van FPI die destijds leiding gaven aan de opstand tegen SETIA in Pulo daar in Daan Mogot wonen! Ze gingen naar Pulo om de christenen weg te jagen, met als gevolg dat ze nu bij hen op de stoep zitten! Hoe wonderlijk kan het gaan. Op de twee nieuwe locaties en in Kali Malang gaat het werk door. En ook de M.Div-opleiding die plaatsvindt in Kota Wisata (Zuid-Jakarta) gaat ongestoord verder.
 
Er zijn echter bij SETIA ook interne problemen: frictie tussen de leiding en het stichtingsbestuur en tussen de leiding en de staf/docenten. Onlangs heeft een behoorlijk aantal docenten die SETIA al jarenlang trouw hebben gediend, zich teruggetrokken uit onvrede over hoe zij behandeld worden. De salarissen zijn al maandenlang niet uitbetaald, maar dat is niet het belangrijkste. Punt is dat zij geen vertrouwen en verantwoordelijkheid krijgen, maar vaak als kinderen zo niet slaven behandeld worden. Hun vertrek heeft de leiding aan het denken gezet. Hopelijk kan ik als bemiddelaar - dat verzoek kreeg ik van de leiding - bijdragen aan een herstel van de vrede en de rust.
 
Vanmorgen heb ik op uitnodiging van SETIA gepreekt op de locatie Kalideres. Die preek ging over wat de apostelen deden in de tien dagen tussen Hemelvaart en Pinksteren (Lucas 24:50-53 en Handelingen 1:12-14). Ze zaten niet bij de pakken neer, waren niet verdrietig om Jezus' vertrek, maar ze waren blij en enthousiast, klaar om met de uitvoering van hun opdracht te beginnen. Terwijl ze ook al wisten dat dat niet gemakkelijk zijn zijn. Ze popelden van verlangen om aan de slag te gaan, in wat voor omstandigheden ook. Van die houding kan ieder gelovige veel leren: Wees blij, wees enthousiast, wees actief. Om dat te kunnen zijn, ook in de moeilijkste omstandigheden: blijf bidden. Houd contact met God. En vergeet niet: Koning Christus is met ons. Door de Geest.
 
Blij en enthousiast: als alles goed gaat, maar ook als het tegenzit.


(De foto is gemaakt door Corien Oranje: Namens de GZD mocht ik de verjaardagstaart mee aansnijden en daarbij een gebed uitspreken. Moge de Heer SETIA een gezegend nieuw jaar geven en uitkomst op verschillende vlakken.)

maandag 26 april 2010

Werkreis 2010

Opnieuw op werkreis voor LITINDO: 10 mei – 22 juni 2010

Ook dit jaar ga ik weer voor LITINDO op werkreis naar Indonesia, en wel – als God wil – van 10 mei tot 22 juni. De eerste en de laatste week verblijf ik in Jakarta voor tal van werkzaamheden:
overleg met de uitgevers. Bij ‘Bina Kasih’ (YKBK) liggen twee manuscripten die moeten worden uitgegeven. Het ene is een door ds Gerrit Riemer verzorgde vertaling van Roep Mij aan! (een boekje over het gebed) en het andere een beknopte bijbelverklaring op het boek Handelingen, Proces om de volken, waarvan ik de vertaling heb klaargemaakt. Ik ga er nog een derde manuscript inleveren, het boekje Gereformeerde Kanoniek, geschreven door ds Daan Zandbergen. Ook bij de uitgeverij ‘Gunung Mulia’ (BPK) liggen twee uit te geven boeken, een boek van ds Jaap Groen over belijdenissen en het Candlestand Statement, een uitgave van IRTT/DVN. Er staan dus weer vijf nieuwe boeken op stapel. En er is begin dit jaar ook al een boek verschenen, nl Het lezen van de bijbel van dr Jakob van Bruggen. Ook daarvan heb ik de vertaling verzorgd.
overleg met vertalers. Vorig jaar is LITINDO’s vertaalster, mw Amsy Susilaradeya, overleden. Zij heeft veel boeken voor LITINDO vertaald. Daarnaast zijn Mariam, de vrouw van Marianus Waang, en Warni, de vrouw van Yusup Lifire (die in Kampen NL de opleiding tot M.Th. hebben gevolgd) aan het vertalen. Warni vertaalt een dagboekje voor kinderen. Mariam is met verschillende projecten bezig, nl met de vertaling van Adrian Verbree, Over dopen, en met de omwerking van enkele scripties.
overleg met Marianus Waang. LITINDO is bezig met de uitgave van een boek over ‘gereformeerde geloofsleer in de Indonesische context’. Marianus Waang heeft de taak om dit boek in de Indonesische cultuur te plaatsen. Dat is een hele klus en bepaald niet gemakkelijk. Het is belangrijk om daarover goed door te praten.
bezoek aan SETIA. Natuurlijk hoop ik ook SETIA te bezoeken op de twee tijdelijke locaties waar ze momenteel verblijven. Daar zal ik dan ook wel weer heel wat bekenden ontmoeten, o.a. de familie Dick en Corien Mak.
presentatie van LITINDO. Ik heb een uitnodiging van de Theologische Hogeschool ‘Moria’ om daar op Hemelvaartsdag te komen en LITINDO te presenteren na de kerkdienst op de campus. Er gaat een set van alle boeken mee.

Op 17 mei reis ik door naar Bali en op 18 mei naar Sumba voor het geven van lessen exegese en/of geloofsleer op de Theologische Hogeschool van onze zusterkerken daar. De exegese zal gaan over het pasverschenen boek Het lezen van de bijbel, met daarbij voorbeelden uit het vertaalde boek over Handelingen. En de lessen geloofsleer zullen gaan over schepping en voorzienigheid, mn over engelen en boze geesten. Van Sumba gaat de reis verder naar de stad Kupang. Ik hoop twee seminars te geven bij onze zusterkerken daar. En als het lukt, maak ik vanuit Kupang nog een uitstapje van een paar dagen naar het eiland Alor, de geboorteplaats van Marianus, Mariam en Yusup. Ook daar staan een seminar gepland en een presentatie van LITINDO. Al die lessen en seminars staan in het teken van field testing, het uitproberen van hier geschreven of vertaald lesmateriaal in de praktijk. Als het aanslaat, kan het worden uitgegeven. En anders moet er nog weer aan gewerkt worden.

Op de terugweg naar Jakarta maak ik een stop van enkele dagen in Salatiga (Midden-Java) voor een bezoek aan de Christelijke Kerk van Java. Deze kerk heeft net als onze kerk de Heidelbergse Catechismus als belijdenisgeschrift. Onlangs heeft men een aanvulling op de Catechismus gemaakt en op de synode aangenomen waarin – in vraag/antwoord-vorm – wordt ingegaan op de Javaanse cultuur. Dat is niet alleen interessant, maar ook heel leerzaam, bijvoorbeeld voor het boek over geloofsleer waarmee LITINDO bezig is.

Ik eindig weer in Jakarta voor vervolgoverleg, of om te doen wat op de heenreis niet gelukt is. Het is de bedoeling dat ook Anita Helder van de Voorlichtingscommissie van de GZD die week in Jakarta is om de sfeer te proeven van het LITINDO- en SETIA-werk. Zij gaat SETIA bezoeken en de families Waang en Lifire. En ze gaat vast ook met mij mee naar de verschillende uitgevers.

Zes weken is een hele periode, maar de tijd vliegt altijd om. Maar zo’n reis geeft wel altijd een dubbel gevoel, want Atsje en Jos (en ook Wemke en Reinder) blijven hier. We hopen en bidden dat, onder Gods bescherming, hier én daar alles goed mag gaan.

HV / Paheng
www.litindo.org.

maandag 20 juli 2009

Blog Marianus Waang

Ook Marianus vertelt uitgebreid - en spannend! - over onze reis naar Papua. Lees zijn verhaal op de website van LITINDO: www.litindo.org. Kijk onder SETIA, Weblog. Op dezelfde site - maar dan onder LITINDO, Weblog - staan ook mijn blogs.

donderdag 16 juli 2009

Dominggus van Fifiro


Dominggus, afkomstig van Alor, is een alumnus van SETIA. Ik heb hem destijds in de klas gehad. Hij was niet echt een intellectuele hoogvlieger, maar wel een trouwe, gewetensvolle jongen die de zaken goed door had en praktisch kon vormgeven. Eerst ging hij naar Kalimantan Barat. Later werd hij naar Papua gestuurd. En daar wil hij, als het aan hem ligt, blijven. Hij heeft zijn hart aan de Papua's verpand en doet er alles aan om hen hogerop te krijgen. Sinds enkele jaren werkt hij in Fifiro, een Kombaidorp aan de Mangguno, een eind boven Uni. Daar runt hij, met enkele anders SETIA-mensen, de basisschool. Hij doet ook evangelistenwerk, want hij zoekt de mensen op in hun boomhuizen in het bos en vertelt hun over de Here Jezus.
 
We troffen hem in Tanah Merah. Hij was daar ivm het schoolwerk in Fifiro. Hij wachtte op de uitslag van de schoolresultaten en wilde dan zo gauw mogelijk weer terug. Zolang wij in Tanah Merah waren, was Dominggus er om te praten. Hij wilde checken of hij het goed aanpakte en onze mening vragen over wat hij aan het doen was. Meer dan de anderen verdiepte hij zich in het leven van de Kombai mensen. Juist omdat hijzelf een rustige, kalme vent is - overigens weet hij van aanpakken en doorpakken - heeft hij er kennelijk weinig moeite mee om zich aan te passen aan het tempo van de mensen van Fifiro. Anderen lachen wel es een beetje om Dominggus, maar laat hem maar schuiven.
 
Ik heb hem mijn boek Hidup Baru. Orang Kristen dalam Konteks Kebudayaan Setempat (Nieuw leven. De christen in zijn plaatselijke culturele context) gegeven. Daarin behandel ik als casus het sagorupsenfeest van de Kombai. Dit feest is de eredienst van de Kombai voor Refafu om hem te danken en om van hem vruchtbaarheid te vragen. Hij krijgt ook mijn Kitab Suci - untuk Kita! (De Heilige Schrift - voor ons!) over het lezen en verklaren van de bijbel. Met name het eerste boek heb ik hem aangeraden om de achtergronden van zijn mensen in Fifiro beter te leren begrijpen. Hij zou het meteen gaan lezen, zei hij bij het afscheid.
 
Intussen ben ik alweer bijna een week terug in Jakarta. Op zeker moment ging het mobieltje. Dominggus aan de telefoon. Hij vertelt: "Ik heb uw boek gelezen, Paheng. En nu wil ik hier altijd blijven werken." Ontroerend. Was ieder zoals Dominggus, Gods bereidwillige dienaar in Fifiro. Moge God hem zegenen in zijn werk daar.

Wie zorgt er nu eigenlijk voor je? God, Refafu, of ... Mammon?


Zoals gezegd, Marianus en ik waren voor LITINDO op Papua om op verschillende plaatsen het onderwerp 'Gods voorzienigheid tegenover de stamgodsdienst' te bespreken. LITINDO werkt aan een boek over de leer van de bijbel (dogmatiek), met als kenmerken 'gereformeerd' en 'contextueel'. De bijbelse geloofsleer wordt niet alleen maar uitgelegd maar ook toegepast op de Indonesische setting. Ikzelf schrijf het hoofdstuk over schepping en voorzienigheid. En Marianus is door LITINDO ingehuurd om de indonesianisering vorm te geven en te coordineren. Bij aankomst op Papua hadden we wat twijfels of onze plannen wel gerealiseerd zouden kunnen worden. Er bleek maar weinig voorbereid te zijn. In Kouh kwam onze komst zelfs als een volslagen verrassing. Maar uiteindelijk hebben we veel meer kunnen doen dan we verwacht hadden. En ook met positieve resultaten. Daarbij speelden ook de prettige omgang en samenwerking met Marianus een belangrijke rol.
 
In de stadsomgeving van Sentani/Waena en Merauke rezen wat vragen over het nut van het ingaan op allerlei stamgebruiken als bezwering en toverij. Al die oude tradities waren toch bezig te verdwijnen. Je zou veel beter kunnen ingaan op de toenemende modernisering en verwereldlijking. Het kostte ons weinig moeite om aan te tonen dat de oude stamcultuur nog wel degelijk een grote rol speelt, ook bij verstadste mensen. Ook dan nog wordt er betaling geeist bij sterfgevallen, al zoekt men misschien niet meer zo naar een schuldige. En angst voor magie en toverij komt zelfs tot in de hoogste kringen in Jakarta nog voor. Er is geen enkele reden om het ingaan op oude stamgebruiken maar na te laten, omdat die er niet meer toe doen. Maar uiteraard, er moet ook aandacht worden gegeven aan de explosieve modernisering van Indonesia. Je ziet in Wamena Papuamannen lopen in peniskoker en met een mobieltje aan het oor. En van sms'en en internetten weten ze ook alles af.
 
In de dorpssfeer kwamen wel meteen allerlei stamzaken naar voren die nog altijd geldig zijn, of (lichtelijk) aangepast aan de christelijke vernieuwing. Bij het zoeken naar de dader van een sterfgeval gebruikt men nu gebed. Of voor een bepaald ritueel wordt nu een witte kip gebruikt, maar verder is alles nog bij het oude. Mensen denken bij ziekte en tegenslag nog altijd meteen aan straf van God of aan de boze opzet van een ander. In Boma kwam Kuboho nog langs: hij leeft nog helemaal in de mythe van Refafu die alles gemaakt heeft en hun grote rijkdom heeft gegeven. Die is door de communisten, de blanken en de Indonesiers weggehaald. Maar uiteindelijk zullen de Papua's alles terugkrijgen. De angst voor de slapende stamgod Refafu mag dan wat op de achtergrond geraakt zijn (de meesten geloven niet meer in hem), de eruit voortvloeiende traditionele leefstijl is nog sterk. We hebben er langdurig met de cursisten over gepraat. Ze zijn allemaal dominee, evangelist of ouderling. Prediking en pastoraat zijn de middelen om de mensen duidelijk te maken hoe het zit met Gods almacht en Zijn regering. Wanneer je met geloofsogen leert kijken, dan raak je je verkeerde beelden kwijt en leer je God kennen als een lieve, zorgvolle Vader die je nooit in de steek laat. Refafu was een kwaaie, boze afgod die met rust gelaten wilde worden. Die meteen wraak nam, als men tegen zijn wil inging. De levende God kan ook kwaad zijn. Zeker. Maar hij redt door het bloed van zijn Zoon.
 
We hebben overal waar we het onderwerp aan de orde stelden prachtige getuigenissen gehoord van de mensen. We hebben eenvoudige ouderlingen ontmoet, die over een geweldige bijbelkennis beschikken. We hebben SETIA-mensen over de vloer gehad die het maandenlang volhouden op eenzame posten. Natuurlijk, er is onder de christenen nog veel syncretisme en halfheid, veel on- en bijgeloof. Maar we hebben duidelijke bewijzen gezien van Gods zorg en van geloofsvertrouwen bij de mensen.
 
Aan de andere kant, de GGRI staan op een tweesprong. Ze staan niet alleen voor de keus tussen God en Refafu. In feite hebben de meesten die keus al gemaakt: voor God en tegen Refafu (al zit er nog wel veel oud denken in hun manier van geloven, ook in de stad). Ze staan ook voor de keus tussen God en Mammon. Vanuit hun verleden staan de Papua's erg open juist voor materiele vooruitgang. Dat hoeft niet verkeerd te zijn. In ieder geval betekent het niet dat ze meteen als materialisten moeten worden getypeerd. Het zijn vooral godsdienstige, messianistische motieven (cargo cult) die hun drijven. Er wordt door de overheid veel geld gegeven voor de maatschappelijke en ook kerkelijke ontwikkeling. Helaas wordt veel van dit geld misbruikt en verrijken sommigen zich er prive mee (in Kouh heeft een van de gemeenteleiders tientallen miljoenen Rupiahs verdonkeremaand). Binnen de GGRI is tweespalt over een project van een gemeentelid dat zich profileert als het hoofd van de GGRI. Hij runt een stichting voor materiele hulpverlening, maar het is allemaal nogal dubieus. Mensen die protesteren en het geloof in God als nummer één willen vasthouden, worden bedreigd en aan de kant gezet. We hebben geprobeerd ook in dezen te laten zien dat het hele leven valt onder Gods zorg. Geloof is het eerste. Gehoorzaamheid aan zijn woord en daaruit voortkomend eerlijk en oprecht gedrag is belangrijker dan op alle mogelijke manieren proberen een graantje mee te pikken. 
 
De belijdenis van Gods voorzienigheid - denk aan Heidelbergse Catechismus, Zondag 10 - vraagt om een duidelijke geloofskeus. Dat eerst. Vervolgens vereist deze belijdenis wilskracht, ambitie, positief denken, eerlijk en oprecht handelen. Ik vond de Papua's mn in Kouh erg gelaten. Ik raakte er wat gedeprimeerd van. In Tanah Merah en in Boma was de situatie gelukkig heel anders, veel positiever. Zou het schorten aan kennis over God en Zijn Zoon, aan vertrouwen op Hem? Eerste prioriteit voor de GGRI op Papua is in ieder geval wel de opleiding van jonge, geestelijke leiders. En eerlijk is eerlijk, daarin geven de tientallen SETIA-mensen die in de regio Boven-Digoel als onderwijzer dienen het goede voorbeeld. Zij willen graag de GGRI helpen. Een goede samenwerking (waarin duidelijke afspraken worden gemaakt en wederzijds vertrouwen wordt uitgesproken) kan de mensen tot nieuw leven brengen: Inderdaad, God doet grote dingen, daar op Papua. Hij is er zelf bij. Met zijn zorg en zijn regering.


Op de foto de intussen grijze Hendrik Besagi te Boma, met een lange staat van trouwe dienst als evangelist en ouderling.

dinsdag 14 juli 2009

Vogeltjeseten

Mijn vader verpoft het tot op vandaag om mais te eten. Dat noemt hij laatdunkend vogeltjeseten. De mensen van Alor zijn bepaald geen vogels. Maar mais is wel hun hoofdvoedsel. En ze kunnen het bijzonder lekker klaarmaken. Dat heb ik vandaag ondervonden. Maar, eerlijk is eerlijk, het was echt vogeltjeseten.
 
Al voor ik naar Papua vertrok, had Safira mij beloofd: "Als u terugkomt ga ik voor u koken." Safira is de vrouw van Aprianus. Ze wonen sinds kort pal naast Marianus en Mariam. Ze zijn allemaal afkomstig van het eiland Alor in Oost-Indonesia (provincie NTT, ten noorden van Timor). Ook Aprianus en Safira ken ik goed. Van de campus en van hun kerkenwerk in Seriti (Toraja, Celebes). Intussen werken ze al een paar jaar op de campus in Jakarta. Aprianus is docent en volgt de M.Div-opleiding en Safira is docente op de opleiding verpleegkunde van SETIA.
 
"Ik ga kapurun voor u maken," zei ze toen. "Kapurun," vroeg ik, "maar dat is toch een Toraja-gerecht? En jij komt van Alor." "Ja, maar dat is lekker, hoor." "Dat kan best zijn, maar ik wil van jou geen vreemd eten. Als ik bij jullie kom eten, eten we Alorees." "Dan krijgt u mais te eten, hoor." "Nou, wat zou dat? Dat lust ik graag." "OK, dan kook ik een Alor-gerecht." Aldus afgesproken.
 
En nu ben ik terug in Jakarta. Zaterdagmiddag zie ik Safira op de ceremoniele diploma-uitreiking van SETIA. Ze komt meteen op mij af. Van een afstandje vragen haar ogen al: "Wanneer zal het zijn?" We steken even de koppen bij elkaar en spreken af: dinsdagmiddag.
 
Om een uur of twaalf rijden we - ik gebruik de auto met chauffeur van Wisma PGI - het wooncomplex ASABRI op, helemaal in Zuid-Oost-Jakarta / Bekasi. De naam zegt dat het oorspronkelijk voor militairen bestemd was, maar het is blijkbaar algemeen toegankelijk. De huizen waar de beide gezinnen wonen zien er goed en nog nieuw uit. Ze wonen hier graag, want het is rustig. Geen lawaai van verkeer en machines. En voor de kinderen ook goed. Het eten staat al klaar. Behalve het maisgerecht is er rijst en kangkung (een soort spinazie) en gegrillde vis. Safira heeft haar beste beentje voorgezet. Ze deed destijds wat minderwaardig over het eten van mais, maar het smaakt echt heerlijk. Behalve mais zitten er boontjes, pinda's, tomaatjes en een soort groente in. Ik schep het eerst op als groente bij de rijst, maar dat is niet de bedoeling. Je hoort de mais afzonderlijk te eten. Echt lekker. Als het zo hoofdvoedsel is, dan doet het echt niet onder voor rijst of sago.
 
Dan komt het verhaal van de mais. Aprianus en Safira hebben heel wat moeten rondrijden om aan mais te komen. In Jakarta kent men het blijkbaar niet zo. Op Papua stikken ze erin. Vorige week in Wamena hebben we ons nog tegoed gedaan aan maiskolven. Maar alzo niet in Jakarta. Uiteindelijk hebben ze het kunnen kopen op ... de vogeltjesmarkt. We hebben dus inderdaad vogelvoer zitten eten. Maar wat maakt het uit? Mais is mais. Het was lekker. En we hadden het samen heel gezellig. Dat laatste is het belangrijkste. Fijn trouwens dat deze gezinnen buren van elkaar zijn. Ze hebben veel aan elkaar. Dat is ook goed voor SETIA.

zondag 12 juli 2009

Met geloofsogen scheuren over de Digoel


Tijdens een van de miniseminars op Papua maakte een van de aanwezigen de rake opmerking dat je als christen altijd moet kijken met geloofsogen. Dat bewaart je voor blindheid, bijziendheid, kortzichtigheid. Met geloofsogen zie je de werkelijkheid zoals die door God is gemaakt en door Hem wordt verzorgd en beschermd. Het zorgt ervoor dat je dag en nacht bewust leeft als kind van God, dat je je veilig weet en geen zorgen maakt, wat er ook gebeurt.
 
Als christen weet je dit natuurlijk allemaal wel. Alleen, je denkt er vaak niet zo over na. En je leeft er ook niet altijd naar. Ja, wel als je iets ernstigs overkomt: een ongeluk, een ziekte, een sterfgeval. Maar in het alledaagse leven van 's morgens opstaan, ontbijten, naar school of je werk rijden enzovoort? Dan is alles zo vanzelfsprekend, zo voor de hand liggend. Daarom is het goed om weer even met de neus op de feiten te worden gedrukt: je leven ligt in Gods hand.
 
Ik kreeg de kans om dat kijken met geloofsogen weer even flink te oefenen, tijdens een nachtelijke tocht van Kouh naar Tanah Merah over de snelstromende rivier de Digoel. Bij aankomst in Kouh met het watervliegtuig van de MAF, vroeg piloot Tom ons om voor de vervolgvlucht naar Boma naar Tanah Merah te komen. Nou ja, als hij dat wilde, vooruit dan maar. Dat gaf ons meteen de mogelijkheid om ook daar mensen van GGRI en SETIA te ontmoeten en ook daar ons LITINDO-onderwerp te bespreken. Het zou ook niet moeilijk zijn om vervoer te vinden, waar er gingen dagelijks boten heen en terug naar Tanah Merah. Intussen bekroop me alvast wel een gevoel van angst. Vroeger droeg ik tijdens vaartochten altijd een zwemvest, omdat ik - zacht uitgedrukt - nogal last van watervrees heb. Ik had nu geen zwemvest bij me. Nou ja, het gaat vast wel goed, stelde ik mezelf gerust.
 
De schrik sloeg me helemaal om het hart toen onze gastheer, Pak Theo, vrijdagmiddag om een uur of vijf kwam melden dat er zo een speed zou vertrekken naar Tanah Merah en dat wij maar mee moesten gaan, omdat hij niet wist of er zaterdag ook een boot zou varen. Dat werd dus varen bij avond, in het donker, zonder goed zicht op de bochtige banjirrende rivier waaruit overal vastgelopen boomstronken omhoogstaken. Maar wat moest ik? Mijn metgezel Marianus baalde er wel van dat we in het donker niets konden zien van de omgeving, maar hij had er best zin in. We pakten onze spullen bij elkaar. Geld en documenten deed ik bij elkaar in een plastic zakje, dat ik om mijn nek hing. Ik kreeg nog een dik jack mee van gastvrouw Elisabet. En daar gingen we naar de steiger.

Tegen zessen vertrokken we. In het schemerdonker. Behalve ons tweeen waren er de stuurman, een bootsjongen en nog een passagier. De bagage lag onder een dekzeil voorin de smalle boot, wij zaten achterin op de houten bodem, met een zeil over ons heen. De driver stond achterin bij de 40pk aanhangmotor. Hij gaf meteen vol gas. Met kloppend hart ging ik de tocht aan: als dit maar goed afloopt. Bij nacht en ontij scheuren over de Digoel: laat mijn moeder dit niet horen. Die is al doodsbang als ik vlieg. Dat doet mij nu juist helemaal niets. Varen dat is pas erg.
 
We maakten de grote bocht rond Kouh en kwamen voorbij Katawage. Vlakbij de kali Kleit, die ik in het verleden eens ben opgevaren tot vlakbij Desa Maju (toen was het licht en ging het langzaam ... en ik had een zwemvest aan), stopte de driver middenop de rivier. Wat is er? "Ik moet nu eerst plassen." Dat deed hij van achteruit de boot. Goed voorbeeld doet goed volgen. Daarna ging het weer verder, nu met een breed en ver stralende zaklamp als hulpmiddel. We maakten de ene na de andere ronding. Boven ons scheen de maansikkel en werden miljoenen sterren zichtbaar. Aan weerskanten van de boot tekenden zich de donkere contouren van het oerwoud af. Ik begon met andere ogen te kijken. Dit is toch wel heel mooi, bedacht ik. Ik dacht niet meer zo erg aan mogelijke boomstammen waarop we te pletter zouden kunnen slaan, maar ik keek omhoog en kwam onder de indruk van al dat moois om ons heen. Mijn angst kwam nog wel even terug. Het werd mistig. De driver trok zich er niets van aan. We bleven scheuren over de Digoel. Hij kende de rivier op zijn duimpje, had hij gezegd. Even later was het weer helde. We waren al voorbij Mariang en ook voorbij Tanah Tinggi toen hij opeens weer vaart minderde en stopte. "Nu eerst eten," klonk het achteruit de boot. "Ik heb sinds vanmorgen al niets meer gehad." Terwijl hij genoot van zijn avondhap, dobberden we rustig voort op de stroom. We gleden voorbij een tuin waar licht schemerde. Daar waren mensen. Ze hadden in hun bivak een vuurtje aan. We hoorden roepen en schreeuwden terug. Boven ons zagen we de sterren. En vanuit het bos klonken allerlei geluiden. Zo nu en dan sprong er een vis even uit het water op. Wauw, dit was kostelijk. Genieten.
 
"Nog ruim een halfuur," zei de stuur en startte de buitenboord. Daar gingen we weer. De maan was bijna onder. Nu eens zagen we hem rechts, dan weer links en soms was hij achter ons. Op Papua ga je alle kanten op om je bestemming te bereiken. Toen hij op een gegeven vaart minderde in een scherpe bocht waar hout uit de rivier opstak, hoorden we gedreun. "Dat is Tanah Merah al," zei de driver. Nog twee lange bochten, dan zijn we er. En ja, om even over half negen kwamen de lichten van Tanah Merah in zicht. We legden aan bij de pasar (markt) en werden door vriendelijke handen uit de boot geholpen. Niet lang daarna werden we naar ons onderkomen 'Caritas' gebracht. Het was een avontuurlijke tocht. Maar uiteindelijk was het wel genieten. Ik heb er geen enge dromen aan overgehouden. Vast omdat ik tijdens de tocht met geloofsogen ben gaan kijken. Dat maakte mij rustig. Maar of ik een volgende keer zou popelen om weer zo'n nachtelijke boottocht te maken? Dan toch maar liever overdag. En met een zwemvest aan. Want dat kijken met geloofsogen betekent niet dat je je ogen sluit en alles maar over je laat komen. Kijken, dat doe je welbewust.


PS Foto: SETIA-mensen gaan met hun longboat terug naar Firiwage.